Van A naar B, en verder niets
Bij een gewone internetverbinding deelt uw verkeer de infrastructuur met duizenden andere gebruikers en bepaalt de provider de route. Bij een point-to-pointverbinding is er maar één route en bent u de enige gebruiker. Dat verklaart de kenmerkende eigenschappen: constante lage latency, voorspelbare prestaties en een fysiek gesloten verbinding die u zelf beveiligt.
In de praktijk bestaat de verbinding uit een glasvezelpaar: één vezel per richting. Op beide locaties eindigt het paar in een glasvezellade in uw patchkast. Alles wat u daarop aansluit — van een eenvoudige switch tot DWDM-apparatuur — bepaalt wat de verbinding kan.
Zo wordt de verbinding gerealiseerd
-
Site survey en tracéontwerp
Specialisten beoordelen beide locaties en ontwerpen de route: waar komt de vezel het pand binnen, welk bestaand netwerk kan worden benut en waar is graafwerk nodig.
-
Vergunningen
Voor graafwerk in openbare grond worden vergunningen aangevraagd bij gemeente en andere instanties. Dit is vaak bepalend voor de doorlooptijd.
-
Aanleg van het tracé
Waar nodig wordt gegraven en worden mantelbuizen (HDPE) gelegd; obstakels zoals wegen of water worden met gestuurde boringen gepasseerd.
-
Vezel inblazen en lassen
De glasvezelkabel wordt met perslucht door de buizen geblazen en per vezel gelast. Elke las wordt gemeten op demping.
-
Afmontage op beide locaties
Op locatie A en B wordt de vezel afgemonteerd in een glasvezellade (splice box) in uw patchkast — het overdrachtspunt naar uw apparatuur.
-
Oplevering en meetrapport
De verbinding wordt doorgemeten en opgeleverd met meetrapport. Daarna sluit u uw actieve apparatuur aan en is de verbinding in gebruik.
Redundantie: twee routes voor maximale zekerheid
Eén fysieke route betekent ook één punt waar iets mis kan gaan, bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden door derden. Voor bedrijfskritische toepassingen leggen we daarom een tweede vezelpaar over een geografisch gescheiden route. Valt de ene route uit, dan neemt de andere het over.